Jan Saarloos (1948) creëert
met zijn dierachtigen een eigen fantasiewereld.
Bij zijn dieren zijn meer eigenschappen niet dan
wel aanwezig.
Zijn dieren lijken daarom in eerste instantie
op kangoeroes, kikkers of vogels, maar bij nader
inzien blijkt dit beeld niet te kloppen. Er is
een karikatuur ontstaan, een nieuw wezen met bijna
menselijke trekken. Door de stand van het hoofd
of de blik in de ogen wordt de toeschouwer direct
door het dier aangesproken: soms wat meewarig
of samenzweerderig, maar altijd met emotie. Het
werk van Saarloos valt op door de uiterst langgerekte
lichamen, waaraan minuscule kopjes op fragiele
nekjes balanceren. Hoewel de anatomie niet klopt
zijn deze dieren nooit uit balans. |